NBHC
Nederlandse Basset Hound Club

Rasstandaard

Ras standaard
Rasstandaard van de Basset Hound (Vertaling Birgit Sluiter & Rudy Smits 2023)
Datum van publicatie: 27-01-2011
FCI Classificatie: Rasgroep 6, sectie 1.3


Historie in korte versie:
De Basset werd naar verluidt gefokt door Franse monniken in de middeleeuwen om te jagen in dicht, zwaar terrein en is in staat om met zijn neus dicht bij de grond te jagen. Hij is nauw verwant aan alle Franse Bassets en is in Groot Brittannië ontwikkeld tot in de perfectie. Hij is in staat te jagen op zijn natuurlijke prooi, de haas, volhardend in een relatief langzaam tempo over ontzaglijke afstanden.

Algemene kenmerken:
Een laagbenige hound van aanzienlijke substantie, evenwichtig gebouwd en met veel adel. Het is belangrijk in gedachte te houden dat het een werkhond is, geschikt voor zijn gebruiksdoel en dus sterk en actief en hij moet in staat zijn met groot uithoudingsvermogen in het veld te kunnen werken.

Gedrag en temperament:
Volhardende hound van zeer oude afkomst die jaagt op geur. Heeft een meute-instinct en een diepe melodieuze stem. Kalm, nooit agressief of timide. Aanhankelijk.

Hoofd:
Er mag een kleine hoeveelheid losse huid aanwezig zijn bij de wenkbrauw en naast het oog. In elk geval moet de huid op het hoofd soepel genoeg zijn om iets rimpel te vormen indien (huid) naar voren getrokken wordt of het hoofd naar beneden gedragen wordt.
Schedel: De bovenlijn van de voorsnuit en die van de schedel lopen nagenoeg parallel. Voorsnuit is niet veel langer dan schedel. De schedel is gewelfd, met een opvallende achterhoofdsknobbel (occiput), is matig breed en is licht versmallend richting de snuit.
Stop: Matig.
Neus: De neus geheel zwart, behalve bij licht gekleurde honden waar de neus bruin of leverkleurig mag zijn. De neusvleugels zijn wijd geopend. De neus mag reiken tot net voorbij de lippen.
Voorsnuit: De algehele indruk is niet te zwaar, maar niet spits.
Lippen: De bovenlippen vallen ruim over de onderlippen heen.
Kaken/ tanden: Sterke kaak, met perfect, regelmatig en compleet schaargebit d.w.z. de bovenste voortanden overlappen de onderste voortanden nauw en staan recht in de kaken.
Ogen: Ruitvormig, noch uitpuilend (bol) noch te diep liggend, donker van kleur, maar mogen middelbruin zijn bij licht gekleurde honden. De uitdrukking is ernstig en kalm. Lichte of gele ogen zijn zeer ongewenst.
Oren: Laag aangezet, juist onder de ooglijn. Lang, reikend tot net voorbij het einde van de voorsnuit van een goede lengte, maar niet overdreven. Smal over de gehele lengte en goed naar binnen draaiend, zeer soepel, dun en fluwelig.
Hals: Gespierd, goed gebogen en vrij lang met uitgesproken, maar niet overdreven “dewlap” (losse keelhuid).

Lichaam:
Lichaam: Lang en diep over gehele lengte, schoft en bekken op ongeveer gelijke hoogte.
Rug: Tamelijk breed en recht, niet overdreven lang.
Lendenpartij: Mag iets gewelfd zijn.
Borst: Van voren gezien past de voorborst mooi in de buiging van de voorbenen. Borstbeen is prominent maar de borst is nooit smal of overdreven diep. De ribben zijn goed gewelfd hebben geen deuken (vleugels) en lopen goed door naar achteren.
Onderbelijning: Er moet voldoende afstand zijn tussen het laagste deel van de borst en de grond zodat de hound vrij kan bewegen over alle types terrein.
Staart: Goed aangezet, tamelijk lang, sterk aan de basis en langzaam versmallend met een matige hoeveelheid grove beharing aan de onderkant. Bij bewegen wordt de staart goed omhoog gedragen, licht gebogen (sabelvormig), echter nooit in een krul of vrolijk.

Ledematen: 
Algemeen beeld: De opperarm is licht naar binnen gebogen maar niet zodanig dat de vrije beweging wordt belemmerd of de voorbenen elkaar raken wanneer de hound staat of loopt. Een kleine hoeveelheid huidrimpels op de onderbenen is toegestaan, maar mag nooit overdreven zijn. 
Schouder: Goed naar achter liggende schouderbladen; schouders mogen niet beladen zijn.
Elleboog: Noch naar binnen noch naar buiten uitdraaiend, maar goed aanliggend tegen het lichaam.
Voorbeen: Kort, krachtig en zwaar van bot.
Pols: Overknuckelen is hoogst ongewenst.
Voorvoet: Groot met goed opgebogen tenen en met een sterke voetzool. De voorvoeten mogen recht naar voren staan of iets uitgedraaid, maar de hound moet in balans zijn en het gewicht moet goed verdeeld zijn over de gehele voet zodat de voetafdruk gelijk is als die van een grote hond en buiten de voetzolen geen deel van de voet de grond raakt.

Achterhand:

Algemeen beeld: Goed bespierd en goed overkomend wat van achteren gezien een rond effect geeft. Tussen hak en voet mogen enkele rimpels voorkomen en aan het hielgewricht een huidzakje, maar dit mag nooit overdreven zijn.
Knie: De knieën moeten goed gebogen zijn.
Middenvoet: Laag geplaatste licht gebogen hak, niet naar binnen of naar buiten gedraaid en in een natuurlijke stand net onder het lichaam.
Achtervoet: Groot met goed opgebogen tenen en met een sterke voetzool. De hound moet in balans zijn en het gewicht moet goed verdeeld zijn over de gehele voet zodat de voetafdruk gelijk is als die van een grote hond en buiten de voetzolen geen deel van de voet de grond raakt.
Gangwerk: Het is heel belangrijk dat de hound “fit for purpose” is.
Soepele, krachtige en moeiteloze beweging waarbij de voorbenen goed naar voren uitgrijpen en de achterbenen krachtig stuwen waardoor de hound zowel voor als achter recht gaat. De hakken en knieën zijn nooit stijf bij bewegen en de tenen mogen niet over de grond slepen.
Huid: Soepel en elastisch zonder enige overdrijving.
Vacht: Glad, kort en dicht zonder te fijn te zijn. Het algehele aangezicht van de vacht is gladen vrij van pluimen. Lang haar, zachte vacht of pluimen zijn zeer ongewenst.
Kleur: Meestal driekleurig, d.w.z. zwart, wit en tan (bruin); lemon (rood) en wit (tweekleurig), maar iedere erkende hound-kleur is toegestaan.
Maat: Schofthoogte: 33- 38 cm.
Fouten: Iedere afwijking van bovenstaande moet als fout worden aangemerkt en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet en het effect dat dit heeft op de gezondheid en het welzijn van de hond en op zijn vermogen het traditionele werk uit te kunnen voeren.
Diskwalificerende fouten: Agressief of overdreven bang. 
Duidelijke fysieke of gedragsafwijkingen.

N.B.:
Reuen moeten twee duidelijke normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald. Alleen functioneel en klinisch gezonde honden die voldoen aan de rasstandaard zouden moeten worden gebruikt om mee te fokken